ESSAY - AN ELEGY

DOOR ROEL MEIJVIS


Roel Meijvis werkt als filosoof en dramaturg voor Studio Vacuüm / Mees Vervuurt. Bij elke performance schrijft hij een begeleidend essay waarin hij de vragen, gedachtes en inspiraties uit het maakproces deelt. Deze woorden vormen een uitnodiging om je eigen ervaring verder te onderzoeken en nieuwe lagen van betekenis te ontdekken in het werk en de wereld waarin we leven.


Een elegie is een (melancholisch) gedicht of gezang. In onze tijd is het vooral bekend als klaagzang, maar vroegere elegieën bezongen liefdes – verloren of onbereikbaar – waren een strijdlied of een politiek vertoog. An Elegy for a landscape is een elegie in al die betekenissen. Tien menselijke (en nog veel meer niet-menselijke) performers creëren een muzikaal en beeldend gedicht over luisteren. Samenonderzoeken zij de relatie met onze omgeving. Hoe verhouden we ons tot onze omgeving? Hoe kunnen we onszelf (weer) als onderdeel van de aarde ervaren? En zijn er ook andere manieren van verhouden mogelijk?

8 manieren om op te gaan in het landschap:

Heel lang stil staan. 
De kleur van het landschap aannemen. 
De vorm van het landschap aannemen. 
Je ingraven (onderduiken, opstijgen).
Een onopvallend dier nadoen. 
Erin verdwijnen (bijvoorbeeld ver genoeg weglopen of sterven).
Je metamorfose afwachten. 
Zorgen dat het landschap zich op een dag naar jou voegt, 
bijvoorbeeld door het land te bewerken.

- Eva Meijer, Vuurduin (2021)


/ §1.

Vandaag de dag spreken we over “de natuur” als iets buiten ons, als daar waar de dieren zijn, waar je naartoe kan, ter vermaak of ontspanning, of om grondstoffen te halen. Wij hier, de natuur daar. We bezitten haar, bezingen haar, schilderen en beschermen haar, we maken haar kapot en proberen haar te redden. De huidige klimaatramp is het directe gevolg van dit denken. We dachten over de natuur te kunnen heersen, haar ongestoord en onbegrensd naar onze hand te kunnen zetten en haar kinderen te kunnen eten. Maar deze tweedeling (en bijkomende hiërarchie) in ons spreken en denken, blijkt nu letterlijk levensgevaarlijk. 

In The world we once lived in beschrijft de Keniaanse politicus, activist, schrijver, Nobelprijswinnaar en oprichter van de Green Belt Movement Wangari Maathai welke houding ten grondslag ligt aan de vernietiging van de aarde, en wat zou kunnen helpen. Haar verhaal begint in Congo, waar ze wordt rondgeleid door een bos. Haar gids vertelt hoe de vraag naar hout voor veel werkgelegenheid heeft gezorgd en hoe uiterst efficiënt het woud gekapt wordt. In het verhaal van haar gids, hoort Maathai het wereldbeeld dat nu wijd verspreid is: dat er altijd meer bomen zijn om te kappen, meer vis om te vangen, meer mineralen om te delven. 

Maathai omschrijft deze houding met het woord craving, te vertalen als verlangen, maar in extreme zin, als begeerte of hunkering. In het Nederlands kennen we de term bodemdrift, die zich dan weer mooi terug naar de natuur laat vertalen. Het móet op, tot op de bodem, daaraan voorbij zelfs. Aan de vernietiging van de natuur ligt deze onstilbare honger naar méér ten grondslag, naar meer dan je op kan. ‘Als alle bomen zijn gekapt en verwerkt, zou het verlangen dan vervuld zijn?’, vraagt Maathai zich retorisch af. Precies dit onstilbare verlangen verraadt volgens Maathai ‘de psychologische wanhoop en spirituele zwakte’ van de mens. 

De belangrijkste waarden in de directiekamers waar besloten wordt over het kappen van bijvoorbeeld de bossen in Congo zijn economische, geen spirituele. Maar door bomen enkel als planken voor vloeren en sauna’s te zien, worden ze voor dood aangezien, terwijl ze juist als levende entiteiten een ecosysteem mogelijk maken (dat paradoxaal genoeg pas écht onbetaalbaar is). Als in plaats daarvan ook spirituele waarden worden meegenomen in deze besluitvorming, dan zouden deze directies andere keuzes maken. Dat is althans de stelling van Maathai. 

Maathai pleit daarom voor een toename van bewustzijn over onze afhankelijkheid van de natuur en onze rol in het ecosysteem; een perspectiefverandering waarbij we al het levende omarmen in haar verscheidenheid, schoonheid en wonder. Zouden theater en muziek, kunst in het algemeen, als ritueel, als oefening, kunnen bijdragen aan zo’n perspectiefverandering en zo een rol kunnen spelen in de spirituele revolutie die nodig is om de huidige levens op aarde te beschermen?

/ §2.

Kenmerkend voor deze tweedeling tussen mens en natuur is het begrip landschap. Voor deze performance vormt landschap het startpunt van ons onderzoek. Wat is een landschap? Wat bedoelen we met landschap? En wat legt dit woord bloot over ons denken? Het denken over landschap vindt zijn oorsprong in de Vlaamse schilderkunst van de 15e eeuw. Het landschap is een beeld, iets visueels. We zeggen erover dat het mooi is. Het is plat, buitenkant. We kijken ernaar, maar zijn er geen onderdeel van. 

Hoe we over landschap denken en spreken is kenmerkend voor onze relatie tot natuur. In het westerse denken over landschap (en natuur) ligt de nadruk sterk op het visuele. We spreken over een landschap als over een schilderij dat we wel of niet mooi vinden. Maar landschap is veel meer dan dat. De Franse filosoof en sinoloog François Julien onderzoekt in zijn boek Landschap (be)leven een alternatief vanuit klassieke Chinese bronnen.

Julien vergelijkt het westerse landschapsbegrip met dat van de Klassieke Chinese schilders, dichters en denkers uit de Jin- en Tang-dynastie. In deze traditie wordt landschap niet gezien als een plaatje dat wel of niet mooi is, maar als een samenkomst van natuurlijke fenomenen die op elkaar inwerken waardoor er iets gebeurt. Het klassieke Chinees spreekt daarom niet van landschap maar van ‘berg(en)-water(en)’ en ‘wind-licht’. Het is dat wat wordt  opgeroepen door spanning en contrast. Centraal staat daarom de (muzikalere) term spanning, tonos, in plaats van schoonheid, kallos. En in die spanning ontstaat er ruimte voor vitaliteit, voor leven. Landschap wordt niet enkel aanschouwd, we (be-)leven het.

In het westerse denken ligt de nadruk sterk op onze visuele waarneming. In de eerste plaats kijken we naar de wereld. We zijn subject tegenover een wereld van objecten. Maar juist deze visuele relatie impliceert altijd een afstand. In zijn lezing over muziek (Waar zijn we als we naar muziek luisteren?) wijst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk op hoe het ‘innige horen’, de ruimte tussen subject en object die in de visuele waarneming bestaat, opheft. Horen gebeurt zonder afstand. Als we écht en aandachtig luisteren, zweven luisteraar en geluid ‘samen door één en hetzelfde akoestische gebeuren’. 

Het ‘nieuwe engagement met onze omgeving’ waar Julien voor pleit, heeft veel weg van de manier waarop we naar muziek luisteren. Spreken over een mooi landschap, plaatst mij buiten het landschap en op afstand. In een meer auditieve benadering van het landschap ben ik er onderdeel van. Kunnen we het landschap (be)leven door te luisteren? Kan beter, dieper, aandachtiger leren luisteren ons weer meer onderdeel maken van de natuur? En kan dit ons helpen ten aanzien van de klimaatramp? 

Wel volgens de Duits-Koreaanse cultuurfilosoof Byung-Chul Han. De redding van de aarde hangt er volgens hem dan ook vanaf ‘of we in staat zullen zijn naar de aarde te luisteren.’ Innig luisteren is zo een daad van de grootst mogelijke urgentie; aandacht misschien wel het allerbelangrijkste in het behoud van de wereld waar we van houden. 

/ §3.

Zoals Julien onze relatie tot de natuur onderzoekt aan de hand van het begrip landschap, zo doet de Canadese onderzoeker Heather Davis dat aan de hand van plastic. In haar boek Plastic Matter laat zij zien hoe plastic hét materiaal is van de moderne mens. Het is maakbaar en fossiel, in de wijze waarop we het in andere landen dumpen is het een uitdrukking van een kolonialistisch wereldbeeld, het leidt tot een monocultuur ten koste van lokale en oorspronkelijke culturen (het plastic bakje waar we onze afhaalmaaltijd uit eten is overal ter wereld hetzelfde) en het toont de overmoed van de moderne mens: plastic vergaat amper, dus dood en verval (lijkten te) zijn overwonnen (alsof we goden zijn). 

Onze plasticverslaving heeft ervoor gezorgd dat plastic nu overal in de wereld is: ‘Het zit in de lucht die we ademen en het water dat we drinken. Microplastics bevinden zich in onze lichamen; nanoplastics doorboren onze celwanden. Haar chemische bijproducten worden aangetroffen bij iedereen die is getest. De wereld is nu plastic.’ 

Ons denken over plastic gebeurt altijd al vanuit een wereld en zelfs een lichaam vol plastic. Om uit onze huidige ideeën rondom natuur te breken zijn andere ideeën nodig, een andere verbeelding. Maar daarvoor kan juist plastic een inspiratie zijn: het is een onderdeel van ons bestaan dat we bewegelijk zijn, dat we kunnen veranderen en de dingen kunnen omvormen, zoals plastic. Davis houdt daarom een pleidooi voor queer-ecologie. Queer-ecologie daagt heteronormatieve aannames rondom biologie en natuur uit en probeert nieuwe voorstellingen te maken van evolutionaire processen, ecologische uitwisselingen en milieupolitiek met andere ideeën over samenleven, erotiek en zorg voor meer-dan-menselijk leven. 

De wereld zal waarschijnlijk nooit meer zo zijn zoals die ooit was, zegt Davis (en dat is niet voor iedereen slecht nieuws), maar deze veranderlijkheid is tegelijkertijd inherent aan het bestaan zelf. We zullen daarom met nieuwsgierigheid andersoortige manieren van verhouden en samenleven moeten onderzoeken:

‘Het voorstellen van toekomstige generaties, ongeacht hun vorm, geslacht of zelfs soort, van mensen en vele andere wezens, met een besef van collectieve verantwoordelijkheid, brengt ons voorbij de gemakkelijke individualistische wending naar nihilisme. Om verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor een toekomst die nu nog niet voor te stellen is, moeten we het diepe relationele feit van het zijn zelf begrijpen, wat het betekent om op een bepaalde plaats en tijd te zijn, wat het betekent om levend te zijn.’ 


/ §4.

Onze ongebondenheid aan een bepaalde plaats en tijd maakt ons steeds minder thuis in de wereld. We werken remote en zijn via onze telefoons steeds op tal van andere plekken tegelijk – of nergens écht. Maar als we nergens zijn geworteld, nergens en met niemand echt verbonden, dolen we allemaal maar wat verloren rond. 

Deze ervaring van ontheemding wordt ook wel de unheimliche (letterlijk: on-thuis) ervaring genoemd en komt veel terug in de context van klimaatverandering. Het is de naam voor de ervaring die de verwoesting van de planeet oproept, in de uitleg dat we ons eigen huis aan het verwoesten zijn. Tegelijkertijd is deze vernietiging ook juist het gevolg van de afstand die we voelen tot de aarde; we verzorgen onze leefomgeving juist níet op een manier zoals we met ons eigen huis zouden doen. Is het mogelijk weer heimlich te zijn op aarde? En is het eigenlijk wel ooit ons huis geweest? 

Veel klimaatdenkers nemen ons thuiszijn niet als richtpunt, maar als uitgangspunt. We zijn al onderdeel van de wereld, van dit specifieke ecosysteem. Volgens Maathai is dat precies waar we ons bewust van moeten worden. De Amerikaanse ecoloog Aldo Leopold verwoordt het in Denken als een berg als volgt: ‘We gebruiken de aarde en maken er misbruik van omdat we haar als ons bezit en handelswaar opvatten. Op de dag dat we de aarde zien als een “gemeenschap” waartoe wij behoren, zullen we misschien met liefde en respect met haar omgaan.’

Dat is ook wat de Kameroense filosoof Achille Mbembe bepleit in De aarde als gemeenschap. Een leefbare toekomst is alleen maar mogelijk als we het westerse, instrumentele en kolonialistische denken achter ons laten. Hij wijst daarvoor naar Afrikaanse denkwijzen, animistische wereldbeelden en spirituele tradities waarin mensen en niet-mensen – planten, dieren, dingen, voorouders – in onderlinge verbondenheid bestaan. 

Mbembe stelt onze relatie met de aarde voor als die van de voorbijganger: ‘Als zodanig verwelkomt en herbergt ze ons. De sporen van onze doortocht bewaart ze eveneens als die van een voorbijganger.’ We zijn geen goden die heersen over de aarde, maar wandelaars die een ommetje maken. En dat geldt voor ons allemaal: eend, mens, bloesem en berg. 

Ook Mbembe gebruikt opvallend veel muzikale metaforen om een andere natuur-relatie, die van voor het geïndustrialiseerde koloniale kapitalisme, te verwoorden: ‘Elk ecologisch milieu was vooral een universum waarbinnen de wezens in samenklank leefden. Die manier van in de wereld zijn, door te bewegen en in samenklank met de andere krachten van het levende, kende een belangrijke plaats toe aan diverse vormen van kennis en kunde. (...) Leren bestond overigens vooral uit luisteren, ook naar de landschappen en de omgeving, naar de glooiingen en de heilige plaatsen, de lijnen en de randen, het ritme van de seizoenen, de veelheid aan geluiden en beelden, naar het bouwland, de planten, insecten en vogels.’ 

Samenklank zelf wordt hier door Mbembe als een thuis voorgesteld, ons thuis. Niet een plek, maar de gemeenschap, die iedereen omhelst, juist omdat we allemaal te gast zijn in een huis dat van niemand is en niemand uitsluit: ‘Gemeenschappelijk maken we deel uit van energieën en krachten waarmee allianties worden gesmeed, maar die elk van ons apart genomen overstijgen. De relatie tussen de mensen en de rest van het levende berust dus niet op een zucht naar verovering en toe-eigening, maar in tegendeel op een ethiek van onthechting. Deze ethiek beoogt vooral de vermenigvuldiging van levensreserves, het delen van de eerste adem, die het collectief bijeenroept en bezielt, zoals dat is samengesteld uit de doden, de levenden en de voorouders, de wezens en de dingen, de dieren, de planten, de objecten en de geesten.’

De performers in An Elegy zien we voortdurend komen en gaan, verschijnen en weer verdwijnen. Achteloos, mompelend, zonder duidelijk midden, zonder duidelijke richting. Maar hoewel de individuele performers komen en gaan, komen ze soms samen. Dan zijn het even geen afgezonderde mensjes, maar een gezamenlijke entiteit, een koor. Deze verbinding, deze harmonie, ontstaat in het luisteren, in het afstemmen, die ook een onthechten veronderstelt. Individuele stemmen en verschillende talen, komen samen in samenklank, met elkaar, met de omgeving. En wij toeschouwers, niet langer enkel nog beschouwend, zweven in datzelfde akoestische gebeuren, dompelen ons onder, gaan op in het klinkende landschap dat ontstaat, voor even, voor het weer verstomt in de verte, als echo, als herinnering, aan waar we heel even waren.

/ §5.

Hoe leren we weer dieper te luisteren? Hoe gaan we onszelf weer als onderdeel van al het leven zien, in plaats van het middelpunt? Hoe verdwijnen we in het landschap, in de betekenis dat we (een deel van) onszelf onthechten? Een inspirerend voorbeeld hiervan vonden we in het boek van de Potawatomi (Amerikaans Inheems) plantkundige Robin Wall Kimmerer, die in Een vlecht van heilig gras westerse wetenschappelijke kennis verweeft met Inheemse kennis. 

Kimmerer kent beide tradities goed, hoewel zij het Potawatomi (de taal) pas op latere leeftijd leerde. Door deze taal pas later te leren kon zij goed zien wat de verschillen zijn en welk wereldbeeld het Potawatomi uitdrukt; een wereldbeeld waarin alles leeft en bezield is, en daarom ook een andere taal nodig heeft, een andere grammatica. Kimmerer noemt dit een ‘grammatica van bezieldheid’. Natuurlijke fenomenen zijn in deze taal geen zelfstandige naamwoorden, maar werkwoorden. Water is iets levends, dat zich bijvoorbeeld gedraagt als een baai; heeft besloten een baai te zijn. Het benoemen en definiëren als baai (dit is het), maakt water tot een dood object, maar:   

‘Een baai zijn’ bevat het wonder dat het levende water heeft besloten om voorlopig beschutting te zoeken tussen deze oevers en te babbelen met wortels van reuzenlevensbomen en een groep grote zaagbekkuikens. Want het had ook iets anders kunnen doen: een rivier of een zee of een waterval worden, en daar zijn ook werkwoorden voor. Een heuvel zijn, een zandstrand zijn: al die werkwoorden zijn mogelijk in een wereld waarin alles levend is. Water, land, een dag zelfs – de taal is een spiegel die de bezieldheid van de wereld laat zien, het leven dat door alle dingen pulseert, door dennenbomen en boomklevers en paddenstoelen. 

Zoals het westerse wereldbeeld tot uiting komt in de taal (en andersom: onze taal maakt ook hoe we naar de wereld kijken) zo geldt hetzelfde voor dit animistische wereldbeeld, waarin aan alles (en niet alleen de mens) leven en ziel wordt toegekend. Maar door alles om je heen te bezielen, verandert ook je houding tot alles om je heen. Alles wordt plotseling een uitwisseling, een dialoog. Kimmerer gaat uitgebreid in op deze wederkerigheid tussen mens en natuur (mishkos kenomagwen), die we tot uiting brengen in onze rituelen. Ze omschrijft een koffieritueel van haar ouders, die van het dagelijkse weggooien van de koffiedrab, een ceremonie hadden gemaakt, waarin de drab zorgvuldig en aandachtig werd geschonken aan de aarde: ‘Wat kun je anders offeren aan de aarde, die alles heeft? Wat kun je anders geven, behalve iets van jezelf? Een huis-tuin-en-keuken-ceremonie. Een ceremonie die ervoor zorgt dat je je thuis voelt.’ 

In Over rituelen schrijft Byung-Chul Han dat we rituelen kunnen definiëren ‘als symbolische technieken om ergens in thuis te raken. Ze veranderen het in-de-wereld-zijn in een thuis-zijn. Ze maken de wereld een betrouwbare plaats.’ Ergens anders schrijft Han: ‘De romantisering van de wereld geeft deze haar betovering, haar magie, haar mysterie, ja haar waardigheid terug. Zij brengt intensiteiten voort. De romantisering onthult het gemoed, het mysterieuze binnen van de buitenwereld, waarvan wij vervreemd zijn geraakt.’ Door deze romantisering maken we van het landschap meer dan zij is als mooi plaatje; we geven, be-leven, haar innerlijk. 

Ons cijfer en data-gedreven leven kent amper nog romantiek, en ook steeds minder rituelen en ceremonies. En hoewel dat waarschijnlijk niet het eerste is waar we aan denken wat de wereld zou kunnen helpen in onze tijd, maakt Kimmerer concreet en voelbaar wat Han over rituelen schrijft: ‘Rituelen en ceremonies zijn de waarlijk menselijke handelingen die het leven een feestelijk en betoverend aanzicht geven. Het verdwijnen daarvan ontwijdt, profaneert het leven tot puur overleven. Daarom valt van een hertovering van de wereld een genezende kracht te verwachten, die weerstand biedt aan het collectieve narcisme.’  

De wereld hertoveren. De natuur romantiseren. Het leven van diepte voorzien, van intensiteiten. Misschien dat kunst zo een oefening kan zijn in deze noodzakelijke nieuwe omgang met de wereld om ons heen. Aandacht. Luisteren. Schoonheid. Buiten onszelf treden. Voorbij ons ego kijken, zoals de Ierse schrijver en filosoof Iris Murdoch het noemt. In De soevereiniteit van het goede noemt zij schoonheid de ‘passende en traditionele naam voor iets wat kunst en natuur met elkaar delen.’ Ze omschrijft hoe ze piekerend uit haar raam staart, maar dan plots een biddende torenvalk ziet: 

In een oogwenk is alles veranderd. Verdwenen is het piekerende zelf, samen met zijn gekwetste ijdelheid. Nu bestaat er niets anders dan de torenvalk. En als ik nu weer aan die andere kwestie denk, dan lijkt die plots minder belangrijk. (…) Genieten van de natuur op een manier die op jezelf gericht is, lijkt me geforceerd. Het is niet alleen natuurlijker maar ook beter om jezelf te vergeten tijdens het genieten van het puur vreemde, doelloze en onafhankelijke bestaan van dieren, vogels, stenen en bomen. Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.

Openstaan voor dat mysterie, voor dat wonder, vraagt in de eerste plaats een luisteren. Luisteren is een vorm van onthechting. Het is aandacht voor iets buiten ons, maar wat ons vreemd genoeg tegelijkertijd dichter bij onszelf kan brengen. Luisteren we op die manier, dan horen we mogelijk iets wat al onze vormen van kennis te boven gaat, en er al die tijd al was. Kimmerer: 

In een veld met hoog gras, met niets anders dan de wind, wordt een taal gesproken die de verschillen tussen wetenschappelijke en traditionele inzichten, de data of het gebed overstijgt. De wind waait erdoor en voert het lied van het gras mee. Het klinkt voor mij als mishhhkos, steeds maar weer op de golven van wuivend gras.